Myopie of bijziendheid

 

Myopie ook wel gekend onder bijziendheid is een ametropie waarbij de persoon (dan een myoop genaamd) voorwerpen ver weg niet scherp kan zien maar echter wel voorwerpen nabij scherp kan zien.
Vandaar ook de naam bijziendheid (dichtbij kunnen zien). Dit komt doordat de ooglens te sterk is voor de optische ooglengte.
Een voorwerp met een
vergentie van 0 zal dus niet scherp waargenomen worden. Wanneer het voorwerp dichterbij komt zal de vergentie dalen tot een negatief getal;
zodra dit getal gelijk is aan de
graad van ametropie zal het voorwerp wel scherp worden waargenomen.
Hoe hoger de refractiefout des te dichterbij het voorwerp gehouden zal moeten worden om scherp waargenomen te kunnen worden.

 

 

 

Myopie is geen ziekte maar een refractiefout in het optische systeem van het oog. De afbeelding wordt wel scherp geprojecteerd maar vóór het netvlies.
Daardoor wordt het beeld door de lens niet correct geprojecteerd op het netvlies.

De afwijking begint zich meestal vanaf 8 tot 12 jaar te ontwikkelen en in de tienerjaren wordt het geleidelijk meer
naarmate het oog groeit en daarmee de ooglengte toeneemt. Het brandpunt binnen het oog zal dan zich verder voor het netvlies gaan bevinden.
Wanneer de volwassenheid bereikt wordt, blijft de refractiefout meestal stabiel.

 

Een bril of contactlenzen met een negatieve sterkte (concave lens) kan deze oogafwijking compenseren.
Het is ook mogelijk te corrigeren met behulp van een
laseroperatie aan het hoornvlies.
Aan een laseroperatie zijn echter risico's verbonden en het is nog steeds niet duidelijk wat de effecten op langere termijn zijn;

De oorzaak van myopie lijkt meestal erfelijk te zijn: het oog is lichtjes platter (meer ellipsoidaal) dan een normaal oog waardoor een langere ooglengte ontstaat.
Ook etniciteit speelt een rol, in
Azië is 70-90% van de bevolking myoop, terwijl in Europa dit getal op 30-40% ligt en in Afrika slecht 10-20%.
Gezien de enorme stijging van bijzienheid de laatste halve eeuw spelen externe factoren echter zeker ook een rol.
Overmatig gebruik van de ogen op korte afstand (computergebruik, lezen) wordt vaak geacht tot bijziendheid te leiden.
Uit een onderzoek uitgevoerd in mei 1999 door het departement oftalmologie (oogkunde) van de universiteit in Pennsylvania blijkt dat het slapen in onvoldoende verduisterde kamers gedurende de eerste levensjaren waarschijnlijk een belangrijke rol speelt in het ontstaan van bijziendheid.
Onderzoek naar het zicht van 479 kinderen tussen 2 en 16 jaar wees uit dat 10 % van de kinderen die in volledige duisternis hadden geslapen bijziend waren, 34 % van de kinderen die met een nachtlampje sliepen en 55 % van de kinderen die met kamerlicht aan sliepen. Mogelijk leidt blootstelling aan teveel kunstlicht tot overmatige groei van het oog.


Behalve door het gebruik van nachtlampjes zijn heel veel slaapkamers niet duister genoeg door het binnendringen van kunstlicht (lichthinder) van buitenaf - bijvoorbeeld door slecht geplaatste straatlantaarns -, dat slechts tegengehouden wordt door een zwak gordijntje dat het meeste licht toch doorlaat.
Alleen (rol)luiken en speciale verduisteringsgordijnen houden genoeg licht tegen. Naast verkeerd gebruik van de ogen is mogelijk ook de enorme groei van buitenverlichting in de laatste halve eeuw in de westerse maatschappij een van de oorzaken van de wereldwijde sterke toename van bijziendheid.

 

 

jfrey1.gif
chopard.gif
okleylogo.gif
okley2.gif
chopard.gif
vrouw.gif
okley2.gif